“Zijn toestand is erg bevredigend meneer. Ik denk dat hij weldra naar huis mag.”
“Kunt u mij dan ongeveer zeggen wanneer?”
“Oh, waarschijnlijk binnen een dag of vijf, zes. Bent u een vriend van hem?”
“Nee, ik ben Adriaans zelf en ik zit op mijn kamer te bellen. Men zegt me hier immers nooit iets.”